|
Zoals u mogelijk
bekend is, voert de stichting WWWZ op dit moment een aantal projecten uit in
opdracht van het Ministerie van SZW en het UWV, om innovatieve
ondersteuningsmethoden (verder) te ontwikkelen. Dank zij steun van ZonMW en
PGGM zijn wij intussen in staat gesteld om onze resultaten voor een breder
publiek te publiceren.
Bij deze wil ik
daarom uw aandacht vragen voor het boek Waarom zou die baan niet voor jou
zijn? Deze publicatie, met een voorwoord van SER-voorzitter A. Rinnooy-Kan
zal in 28 oktober 2009 aangeboden worden aan minister Donner.
Via dit boek kunt
u bijvoorbeeld werknemers van uw bedrijf meer bewust maken van de problemen
rond de reïntegratie van mensen met een beperking, wat mogelijk ook weer een
ondersteuning kan zijn van uw eigen beleid. Uiteraard zijn ook andere doelen
denkbaar, zoals de vorm van een relatiegeschenk. En tenslotte ondersteunt u
uiteraard met de aankoop het werk van WWWZ zelf. De kosten van deze publicatie
bedragen € 12,50 euro per stuk, met kortingen bij grotere afnamen. Verder is
het een optie om een speciale editie voor uw eigen bedrijf te laten produceren,
waarin bijvoorbeeld aandacht gegeven kan worden aan de activiteiten die u zelf
op dit terrein onderneemt.
Hieronder treft u
een korte samenvatting van de inhoud en het voorwoord van dhr Rinnooy Kan
Door middel van
een mail naar Diane.Koster@wordewiewezijn.org
kunt u het bestel en informatie formulier ontvangen.
WAAROM ZOU DIE BAAN NIET VOOR
JOU ZIJN?
Samenvatting
Voorwoord
- Rinnooy
Kan
Inleiding
Het verhaal van dit boek begint in 2006, in een koets. Die
koets reed regelmatig in de vroege ochtenden over het terrein van de Willem
Arntzhoeve in Zeist, een terrein waar al decennia lang mensen met een
geestelijke beperking wonen in een (heel) mooie omgeving. Op de bok van de
koets zat de directeur van een groot bedrijf, lid van de Stichting Koets en
Rij, een club die oude rijtuigen opknapte. Hij nam regelmatig een van de
jongens mee op de bok, die – hoe vroeg het ook was – daar altijd in de bossen
aan het wandelen waren. En ze raakten dan in gesprek. De jongens vertelden de
directeur hoe hun leven er voor stond en hij luisterde met stijgende verbazing.
Hij hoorde hoe ze zoals ze zelf vertelden ‘rondjes in de draaideur’ liepen, hoe
ze vast zaten in een systeem dat ze afhankelijk hield, een systeem dat als het
ware vanaf de eerste diagnose een etiket op ze plakte, waar ze vervolgens niet
meer aan konden ontsnappen.
Wegen naar werk
De vuistregel in Nederland is dat de instelling die iemand
van een inkomen voorziet ook verantwoordelijk is voor de re-integratie op de
arbeidsmarkt als het op de een of andere manier misgaat. Dat wil dus zeggen dat
de werkgever in eerste instantie degene is die moet helpen met voorzieningen of
(om)scholing bij ontslag. Als de periode van arbeidsongeschiktheid langer duurt
of als er nooit sprake geweest is van betaald werk, ligt de
verantwoordelijkheid voor de begeleiding bij het UWV. In dit hoofdstuk wordt
beschreven langs welke verschillende wegen de begeleidingstrajecten (kunnen)
lopen, inclusief de situatie na de recente wetswijziging.
De Stichting Worden Wie We
Zijn
Toen de koetsier uit de inleiding een keer met de
behandelaar van een van zijn bijrijders sprak, kwamen ze er niet uit. Hij sloot
het gesprek af met ‘U hebt het over de Johan die hier al vier jaar rondloopt en
die u nooit ergens anders ziet rondlopen….ik heb het over de Johan zoals hij
zou kunnen worden, of eigenlijk over de Johan die weer kan worden wat hij
eigenlijk is…. ‘
Twee maanden later was er een nieuwe Stichting, die met
verwijzing naar het verhaal van Johan Worden Wie We Zijn werd genoemd.
Diverse collega-ondernemers zorgden voor het startgeld en voor het bestuur
werden mensen gevonden uit verschillende sectoren, zoals onderwijs, jeugd,
woningbouw, verzekeringen. De bedoeling was dat zij met een frisse en dus
creatieve blik zouden kunnen werken.
De Stichting besloot om bij wijze van experiment het
probleem ‘om te draaien’ en te beginnen aan de kant van de bedrijven. Zij
brachten in een aantal bedrijfskringen ondernemers bij elkaar om na te gaan hoe
de belemmeringen daar lagen. Want je kon natuurlijk wel heel veel investeren in
de begeleiding en training van iemand, maar als er dan geen werk was, deed je
die moeite voor niets en kon je opnieuw beginnen (wat in de praktijk ook vaak
gebeurde).
Het resultaat was een aanpak die inderdaad letterlijk een
omkering van het gebruikelijke proces inhield. Kort samengevat ging het er om
dat mensen letterlijk normaal behandeld zouden worden. Dat wil zeggen
dat ze normaal zouden solliciteren op een aantal banen die door bedrijven
beschikbaar werden gesteld. En dat ze normaal een sollicitatietraining zouden
krijgen, uitgaand van hun aanwezige capaciteiten.
Werk in uitvoering.
Op grond van deze plannen sloot de nieuwe Stichting een
overeenkomst met het UWV voor het uitvoeren van een kleine honderd
IRO-trajecten. Met als bijzondere voorwaarde dat de middelen per traject ‘gebundeld’
konden worden, dus zonder bureaucratie inzetbaar zouden zijn voor de cliënt op
die punten waar dat nodig geacht werd. Vervolgens begonnen er in de praktijk
dingen heel goed en heel fout te gaan.
Wat heel goed ging was de werving van banen. Er werden verschillende
bijeenkomsten georganiseerd door een netwerk van ambassadeurs (zelf uit het
bedrijfsleven afkomstig) en honderd bedrijven zegden toe een aantal vacatures
open te stellen voor een aanbod van WWWZ. Dit op basis van de afspraak dat
bedrijven zelf zouden kunnen kiezen uit minstens twee sollicitanten.
Wat ook heel goed ging was de begeleiding van cliënten.
Hiervoor werd een ‘normaal’ wervingsbureau ingehuurd (Elephant), dat de
cliënten van WWWZ liet meedraaien in hun lopende aanbod van trainingen. Met als
resultaat dat de ‘normale’ cursisten niet in de gaten hadden dat deze
medecursisten een andere achtergrond hadden.
Een ander deel van het traject dat positief werd ontvangen
was de begeleiding van bedrijven op de werkvloer zelf. Met de kanttekening dat
juist de succesvolste mensen uit de trainingen van Elephant niet wilden dat dat
gebeurde: zij hadden op eigen kracht een sollicitatie tot een goed einde
gebracht en wilden niet het risico lopen dat ze toch weer een stempel in hun
bedrijf kregen.
Maar er ging ook het nodige niet goed, met name als het ging
om de samenwerking met zorginstellingen. Een aantal van deze instellingen, dan
wel van de behandelaars, had er moeite mee om hun cliënten ‘bloot te stellen’
aan de trajecten van WWWZ. Vervolgens zijn diverse meetings georganiseerd
tussen WWWZ en deze behandelaars, waarin intensief is gesproken over een aantal
systeemkenmerken die er voor zorgen dat hulpverleners en cliënten elkaar vast
houden in onderlinge afhankelijkheid.
Verhalen uit de praktijk
De grote kracht van de aanpak van WWWZ ligt in het gegeven
dat niet alleen de cliënten zelf, maar ook alle betrokken begeleiders,
werkgevers, etc. zo ‘normaal’ mogelijk behandeld en in
het proces betrokken worden. Wat dat precies betekent komt naar
voren uit een aantal interviews die gehouden zijn met cliënten, werkgevers en
hulpverleners.
Wat hulpverleners betreft wordt duidelijk dat zij zelf ook
niets liever willen dan trajecten die de cliënt centraal stellen, met
intensieve interactie en gericht op zelfstandigheid. Aan de andere kant moet
hun professionele verantwoordelijkheid voor het welzijn van de cliënt
gerespecteerd blijven. Er speelt een zeer cruciaal punt, de kwestie of
zorginstellingen zelf wel de meest aangewezenen zijn om zich met de re-integratie
bezig te houden, gezien de spanning die dit oplevert tussen de
beschermingsbehoefte en de wens tot participatie.
Wat werkgevers betreft is het voor hen volstrekt essentieel
dat hun bedrijfsprocessen gerespecteerd worden. Daarbij gaat het vooral om de
voortgang van een proces: zij kunnen bij vacatures eenvoudigweg niet wachten
tot de procedures in de zorg en re-integratie zijn doorlopen (dat duurt maanden
in plaats van weken). Als er in de praktijk problemen zijn, moeten die verder
zo snel mogelijk ‘on site’, op de werkplek zelf, opgelost worden.
Wat cliënten zelf betreft geven zij aan dat het zeer
verrijkend en stimulerend is om deel te nemen aan reguliere trajecten, waarin
ook eisen gesteld worden en vooral echte resultaten gehaald worden. Wel blijft
het nodig om in bepaalde omstandigheden meer ruimte in de begeleiding in te
bouwen.
De (tussen)stand
Hoewel gezien de vertraging door het werven van cliënten het
merendeel van de IRO-trajecten nog loopt, zijn de voorlopige resultaten
positief. Verschillende cliënten hebben intussen – zelfs alleen met de
begeleiding, zonder speciale vacatures – werk gevonden.
Daarnaast is door het project scherp aan het licht gekomen
waar knelpunten in de huidige procedures voor re-integratie liggen.
Het boek sluit af met een beschrijving van die knelpunten en
van de projecten die inmiddels door WWWZ in opdracht van het ministerie van SZW
en het UWV uitgevoerd worden om (algemeen inzetbare) instrumenten te maken om
iets aan die knelpunten te doen.
Tot slot
De Stichting Worden Wie We Zijn staat voor een andere
aanpak, een aanpak die niet van beperkingen uitgaat maar van mogelijkheden.
Dat is echter eenvoudiger gezegd dan uitgevoerd: in de praktijk moeten op alle
niveaus vooroordelen en praktische belemmeringen tegelijkertijd
aangepakt worden om echt dicht bij de cliënt zelf te blijven en deze een
eerlijke kans te geven om (weer) te ‘worden wie hij of zij is’.
|